Niet dat rode vest

Sharon is negen en ik ben zeven. Mama is naar tante Astrid in Dordrecht en oma is bij ons geweest. We hebben buiten gespeeld in het hofje, toen ging het regenen gingen we naar binnen. Ik heb geschilderd, Sharon las een boek. We aten lekker bruine bonen met rijst en gingen slapen toen we moe waren. We sliepen nog niet zo lang en niet zo diep, misschien waren we net bezig in te dommelen, want ik hoorde de sleutel in het slot en Shar en ik stonden beiden halverwege de trap toen de deur openging en mama, terwijl ze met haar arm de deur openduwde naar binnen kwam vallen, met haar andere hand steunde ze op de muur. Een enorme brul kwam uit haar. 

Nu heb je films waarin getormenteerde monsters in vurige afgronden worden gestort. Zulk soort films had ik toen natuurlijk nog nooit gezien, maar zo was het. Ze was verwilderd.  Haar blik ging alle kanten op, ook langs ons, maar leek ons niet te zien of in elk geval niet te registreren dat wij haar dochters waren waar misschien wel rekening mee gehouden moest worden. Sharon en ik stonden daar half gebukt, verstijfd van angst in onze slaapjurkjes op de trap. In een houding die ingezet was als de beweging van snel de trap aflopen en onder het plafond al naar de deur kijken en bevroren was door die ijselijke brul. Dat was onze moeder en tegelijkertijd een monster dat ons zou verslinden als we ook maar een stap dichterbij zouden komen. 

Tante Astrid wisselde blikken met oma en sloot snel de deur achter zich. Samen grepen zij mijn moeder die wild om zich heen bleef slaan en zich uit alle macht probeerde los te wrikken uit de greep van mijn oma en tante onderwijl schreeuwend, brullend, schoppend. Dat was niet eens haar stem, het was een lage mannenstem die uit haar keel kwam. 

'Bel je vader, bel je vader! Zeg hem laat hij direct hier komen' zegt oma tegen Sharon.

Zij belt hem en opeens is hij er. Alsof de tijd had stil gestaan of alsof ik een kwartier in coma had gestaan precies daar op de trap. Want het was zeker tien minuten rijden van zijn huis vandaan.

De drie volwassenen proberen nu mijn moeder op de bank tot rust te laten komen. Maar zij blijft vechten en proberen zich los te rukken. Zelfs met zijn drieën kost het ze moeite om haar vast te houden. Het is inmiddels donker buiten. Oma ziet dat Sharon staat te bibberen in haar nachthemdje en zegt dat ze dat ene rode vest maar moet halen van boven. Sharon wil naar boven gaan, maar mijn mama begint weer te schreeuwen. 

'Niet dat rode vest, niet dat vest!

‘Je kunt niet zomaar alles aantrekken!' 

'Het is maar een vest, dat kind heeft het koud'

'Niet dat vest!'

We keken naar het vest om Sharon’s shouders. Snel deed ze het uit en verborg het achter haar rug. Wat wist mama van dit vest dat wij niet wisten? Ze brulde alsof het vervloekt was en ze elk moment van binnen uit in brand zou vliegen als ze het aan deed.

Dat is de enige tekst die ik me herinner van die avond. Ik weet niet hoelang het heeft geduurd voordat ze gekalmeerd was. Ik weet het niet meer, maar ik neem aan dat tante Astrid is blijven slapen. Ik neem ook aan dat mijn vader op een gegeven moment weer naar zijn eigen huis is gereden. Ik weet niet meer hoe laat wij terug naar bed zijn gegaan. En of we nog lang wakker lagen of direct in slaap zijn gekukeld.

Ik weet nog dat ik er stil bij stond dat mijn papa dus wel kwam opdraven nu het slecht ging met mijn mama en ik herinner mij zijn geschrokken en bezorgde blik. Nooit eerder had ik hem zo zien kijken en ik bedacht me dat dat betekende dat hij toch nog van haar hield. Maar ik heb geen herinnering van dat hij daarna ooit nog bij ons binnen is geweest. Als hij ons op kwam halen, kwam hij nooit verder dan poort van de achtertuin. En niet veel later bleef hij in de auto wachten tot wij op de afgesproken tijd op de parkeerplaats buiten het hofje verschenen.


Previous
Previous

Lucht