Lucht

HENNA

Het is zo warm, de lucht is zo heet en toch lig ik onder de dekens met twee truien aan. Ik voel de hitte van de lucht op mijn huid en in mijn longen toch is mijn lijf koud. De kortademigheid duurt nu drie weken. Ik adem in maar ik krijg niet genoeg lucht alsof mijn longen vol zitten voordat ik genoeg zuurstof heb. Een ballon die zal knappen als je er nog een teug bij blaast. Met kracht blaas ik de lucht weer uit zodat ik snel weer opnieuw kan inademen.

De warmte van de lucht vult mijn longen en schroeit mijn keel Adem adem adem in uit in uit. Druppels zweet  breken uit op mijn voorhoofd en rillen na rilling siddert langs mijn ruggengraat.

De kinderen op het veldje achter hebben weer eens ruzie. Rivanio is nog maar drie maar hij scheldt terug naar de grote kinderen als een kleine dictator. Hij doet niet voor ze onder. Sterker nog, geen van de grote kinderen is partij voor hem. Ik hoor geen ouders. Ze zullen nog op bed liggen of drinken koffie voor de tv. Gisternacht zaten ze tot drie uur 's nachts buiten aan de rosé. Te drinken, te roken, elkaar vermakend met grappen en roddels. Zonder schuldgevoel voeden zij hun kinderen op. Ze proberen niet meer te zijn dan ze zijn. Ze leven gewoon makkelijk, zoals het hen het beste uitkomt. Ze doen waar ze plezier in hebben, niet waar zij of hun kinderen beter van worden. Als je niet weet dat je heeft moet zeggen in plaats van heb, kun je je er ook niet voor schamen. Ze zien niet het verschil tussen rommel en kwaliteit dus zijn ze kopen met dat wat ze kunnen betalen en als het kapot is smijten ze het weg en halen nieuwe. Wat ik elite noem noemen zij kakker of hoge piefen. Een gestudeerd man noemen zij een saaie lul. Misschien weten zij niet eens wie Shakespeare is?

Lucht, meer lucht, mijn huig is droog van het door de mond ademen maar door de neus is allang niet meer voldoende. Kalmeer, blijf rustig. Langzaam in, langzaam uit. Op de vloer liggen. De vloer is koud. Mijn darmen rommelen. Het gasbellen in mijn buik zoeken elkaar op en banen zich een weg van boven naar beneden en heen en weer door mijn darmen naar beneden. De eerste gasbel perst zich naar buiten. Zelfs al ben ik helemaal alleen geneer ik me er nog voor. Walgelijke menselijkheid. Mijn anus brandt en ik voel het tussen mijn billen glijden. Oh nee, ook dat nog. Alsof ik in de lucht hang zie ik mijzelf in deze miserabele toestand, happend naar adem, liggend op de grond tussen de boeken en tijdschriften, mijzelf bevuild. Een achterblijver na een verloren gevecht.

Diarree, hoe kan dat? Ik heb in drie weken tijd alleen maar gestoofde sla en bouillon gegeten. Kun je nagaan hoelang het duurt voor je lichaam echt schoon is van binnen, hoe lang die smerigheid blijft hangen.

Niks doet het meer, mijn longen niet, mijn lijf loopt leeg. Al mijn lichaamsfuncties geven het op. Ga ik dood? Komt U mij halen God? 

Nee, nee het is gewoon de duivel die mij aanvalt omdat ik zo mijn best doe voor God. Hij blijft mij maar aanvallen de laatste tijd. Geeft mij kracht Heer!

Ik ruik de weeïge stank, de lucht is zo warm en er is al zo weinig van. Ik probeer op te staan maar maar ook mijn benen kunnen mij niet meer dragen, ze trillen en het wordt direct zwart voor mijn ogen. Gauw weer naar de grond. 

Satan ga weg! Jezus help mij!

God geef mij kracht! Geef mij lucht! 

Stuur de duivel terug naar de hel.

Ik heb alles gedaan wat u van mij vroeg, meer dan dit kan ik niet Bevrijdt mij God. Stuur hem weg.

Kruipend door de tijdschriften op de grond nssr de deur, over het zeil op de overloop naar de badkamer. Vijf emmers met opgevangen water uit de wasmachine staan er al dagen. Het begint al muf te ruiken. Ik moet het echt gebruiken of weggooien. Als ik de kracht maar had. Ik moet het aan Jeanine vragen. 

Nu de dweilemmer. Het is koel in de badkamer en eindelijk krijg ik wat meer lucht en voelt mijn lijf rustig. Dank u God.

Ik hijs me omhoog aan de wastafel en vul de emmer voor de helft met water. Voorzichtig trek ik de besmeurde legging en onderbroek uit. Er komt stront op mijn benen. Ik duw de vieze kleding onder water. Dat is alles wat ik nu kan.

Mijn benen beginnen te schudden. Ik laat me op de grond zakken. Kruipend lukt het me om een schone onderbroek uit de lade te halen en aan te trekken en terug te kruipen naar mijn bed. Ik ben zo moe. Even rusten, even slapen. Ogen dicht. Donker. Weer grijpt de hitte die door het raam naar binnen komt me bij de keel. De kinderen op het veldje rennen en gillen. De ouders die inmiddels naar buiten zijn gekomen kletsen met elkaar, roken en maken grappen. Ze schreeuwen naar de kinderen dat ze moeten stoppen met schreeuwen. Een van de mannen heeft de barbecue aan gestoken en de geur van de kolenrook komt binnen. Ook dat nog. Opeens krijg ik het weer benauwd. Alsof de rook van de barbecue alle zuurstof opslokt. Gestikt in een Hollandse zomer. Het lukt niet meer om zonder geluid te ademen Het gaat huuuh langs mijn huig naar binnen en pffff naar buiten. Het vlees ligt op de barbecue. Ik stik, Ik stik,. Is dit het God? God bent U daar? Komt U mij halen? Dit is het. Ik ga dood.

Hoe vaak heb ik God niet gesmeekt me van deze aarde te verwijderen, is het nu zover? Heb ik mijn taak volbracht? Mijn dochters hebben mij niet meer nodig. Is het nu zover? Stuur een Engel God om mij te steunen. Ik ben bang. Heb ik het goed genoeg gedaan? Ik heb de zonde van mijn botten gesneden God. Gevochten heb ik tegen alle verlangens van dat vlees. Gebeden, gevast voor de zonden van alle mensen om mij heen. Van mijn moeder, van mijn dochters die niet meer geloven en met mannen zijn zonder te trouwen, voor de zonden van Hans heb ik mij uitgehongerd zodat U hem zou vergeven voor het uitleven van zijn lusten en het constante najagen van persoonlijk gewin. Voor het trouwen met een ander. Al mijn vlees opgeofferd om hen te redden. Er is niets meer van mij over. Alleen nog botten en een oude vrouwen rimpelhuid.

Nu ga ik dood en het laatste wat ik ruik is vlees dat brand op de barbecue van de buurman. Ik verdwijn! Ik stik! Ik zak weg. Het wordt donker. Wanneer zie ik het licht? Of zou het toch allemaal niet waar zijn? Nee, niet twijfelen nu. Niet nu. Stuur uw Engel Heer!

'Klop, klop, buurvrouw, buurvrouw!'

Ik hoor de stem van mijn buurmeisje Fatima. Ik heb geen lucht over om te antwoorden.

'Buurvrouw! Buurvrouw! Gaat het wel goed met u? Bent u dat buurvrouw?'

'Het raam staat open en ik hoor u heel hard ademen.'

Ik probeer wat stem eruit te persen, maar meer dan een kreun lukt niet.

Even is het stil.

Leila? Kom terug!

Een engel in een hoofddoek.

Opeens wil ik weer. Misschien ben ik nu uitgestreden. Misschien zal God me bevrijden en heb ik mijn taak volbracht. Mag ik nog even leven. Mag ik eten, mag ik liefhebben. Of een man die mij vasthoudt. Zou ik nog even onbezorgd kunnen zijn zoals de anderen. De normale mensen.

Fatima!!

'Buurvrouw! Buurvrouw! Als het niet goed gaat, klop dan op de muur! Roept Fatima door het open raam.

Centimeter voor centimeter weet ik mijn loodzware arm op te tillen en een klopje te geven op de muur die mijn slaapkamer van die van haar scheidt. Daarna laat ik hem weer vallen.

'Buurvrouw, ik heb u gehoord, ik ga hulp halen!'

Iets knapt in mijn hoofd en mijn schedel vult zich met bloed. Mijn lijf ligt droog op bed, maar mijn hersens verdrinken. Het wordt weer donker. Buurmeisje Fatima is te laat. Vlees op de barbeque, moeder, Sharon, Denise, Erik…

Previous
Previous

Frikandellen

Next
Next

Niet dat rode vest