Het visioen van McConglinney
Cathal, de koning van het gewest Munster was een goede koning en een geweldig krijgsheer. Maar op een dag huisde zich in hem een verschrikkelijk monster dat hem vulde met een niet te stillen honger, waardoor hij een heel varken opvrat, en een koe en een stierenkalf en taarten met drie lagen cake met vulling ertussen en marsepein eromheen en hij zoop een heel vat bier leeg en dat was alleen nog maar voor zijn ontbijt. Wat hij voor zijn diner at gaat ieders voorstellingsvermogen te boven.
Drie en een half jaar woonde het monster in hem en na die tijd lag heel Munster in puin. Het is waarschijnlijk dat hij met nog een half jaar heel Ierland de afgrond in had geholpen.
Nu woonde er in Armagh een beroemde jonge geleerde en zijn naam was Anier MacConglinney. Hij hoorde van de vreemde ziekte van koning Cathal en van de overvloed aan vlees en gevogelte, van bier en van wijn die altijd aanwezig was aan het hof van de koning en besloot erheen te gaan om zijn eigen geluk te beproeven en te zien of hij de koning kon helpen.
Vroeg in de morgen stond hij op. Hij stopte zijn hemd in zijn broek en trok zijn witte geleerdenjas aan. In zijn rechterhand hield hij zijn knotsige staf. Hij liep kloksgewijs om zijn huis, zei vaarwel tegen zijn leermeesters en ging op pad.
Hij reisde door heel Ierland tot hij aankwam bij het huis van de heer Pichan. Daar bleef hij en vertelde verhalen die iedereen aan het lachen maakte.
Maar Pichan zei:
'Ondanks al je kennis en je prachtige verhalen geleerde zoon, je krijgt mij niet aan het lachen.'
'Hoe komt dat?' vroeg MacConglinney.
'Weet je dan niet, geleerde, dat Cathal vanavond hier op bezoek komt met zijn hele gevolg. En als dat al niet problematisch is, is de eerste maaltijd van de koning dat wel, en zo problematisch als de eerste maaltijd al is, het meest problematische van al is het feestelijke diner dat hij verwacht. Voor zijn aankomst alleen al verwacht hij drie dingen: een kar vol haver, een kar vol appels en een kar vol gevulde koeken!'
'Welke beloning geef je mij Pichan, als ik je tegen de eetlust van de koning bescherm vanaf nu tot exact dezelfde tijd morgenmiddag?'
'Een wit schaap uit elke kudde tussen Carn en Cork.' zei Pichan.
'Daar doe ik het voor!' zei MacConglinney.
Cathal de koning kwam gezeten te paard met in zijn gevolg de heren van Munster en nog voor zijn voeten de grond raakte begon hij zich al vol te proppen met handen vol appels. Pichan en de heren van Munster keken verdrietig en bezorgd een andere kant op. MacConglinney stond gauw op. Hij pakte een steen van de grond van het soort waar in die tijd zwaarden aan geslepen werden en begon er met zijn tanden op te knarsen.
'Wat heeft jou van je verstand beroofd geleerde?' bulderde Cathal vanaf zijn paard.
'Het doet mij pijn om u alleen te zien eten koning.' zei MacConglinney.
De koning schaamde zich en gooide hem een paar appels toe en er wordt gezegd dat dit de gulste daad was die hij in drie en een half jaar had gedaan.
'Gun mij nog een zegen waarde koning.' vroeg MacConglinney.
'Het is je gegund, op mijn woord.'
'Vast met mij, de hele nacht koning.'
Hoe vreselijk het ook was voor de koning, hij deed het wel want hij had zijn prinselijke woord gegeven en geen koning van Munster die zich daar niet aan hield.
De volgende morgen vroeg MacConglinney om sappig ontbijtspek en malse corned beef en om honing aan de raad en Engels zout op een prachtige schotel van glanzend gepolijst wit zilver. Van eikenhout maakte hij een vuur zonder rook en zonder vonken. Hij reeg de stukken vlees aan het spit en begon ze te roosteren. Hij vroeg om touwen en koorden, en touwen en koorden werden hem gebracht. En ook de sterkste ridders. En ze grepen de koning en bonden hem stevig vast. MacConglinney ging voor de koning zitten en pakte zijn mes uit het holster. Hij sneedt het vlees van het spit en elk stukje doopte hij in de honing en bewoog het vlak voor de mond van de koning langs voor hij het in zijn eigen mond stak.
Toen de koning zag dat hij niets kreeg en hij had al een etmaal niets gegeten schreeuwe en brulde hij en probeerde zich uit alle macht van zijn touwen te verlossen. Hij bulderde orders om de geleerde per direct te vermoorden, maar niemand luisterde naar hem.
'Luister koning van Munster,' zei MacConglinney, ' gisterenavond verscheen mij een visioen en ik zal het aan u beschrijven.
Hij begon met het vertellen van zijn visioen en terwijl hij dat deed haalde hij stukje voor stukje van het geurige geroosterde vlees langs Cathals mond en stopte het in de zijne.
‘Ik zag een meer van melk
in het midden van een vlakte.
Daarachter een huis
met een dak van boter.
Vers gekookte worsten
vormden de goten van het dak
zijn zachte deurposten waren van dikke vla
zijn bedden van glorieus bacon.
Palisaden van Franse kazen
en spanten van lamskoteletten
waarlijk wat was het een rijk gevuld huis!’
‘Zo was het visoen dat ik zag en een stem klonk in mijn oren: ‘Ga er nu heen MacConglinney, want jij bezit de gave van het eten niet.’’
‘Wat moet ik doen?’ vroeg ik, want de aanblik van het heerlijke huis had me gretig gemaakt. De stem vertelde mij naar de woning van een tovenaarsdokter te gaan en daar zou ik genoeg eetlust vinden voor al het malse sappige heerlijkste eten dat het lichaam kan verdragen.'
Daar in de haven van het melkmeer zag ik een sloep van sappig rundvlees met roeispanen gemaakt van hertenvlees, een boeg van reuzel en een achtersteven van roomboter.
Ik roeide over het weidse melkmeer, door zeëen van bouillon, langs riviermondingen van kippedijen, door woeste baren van karnemelk, langs eilanden van hazepeper, voorbij eindeloze plassen van spekvet, langs heuvels van blauwe kaas tot ik het vaste land bereikte tussen de Boterberg en het melkmeer, in het land van O'Heerlijkheid en voor mij lag de woning van de toverdokter.
De woning was verbijsterend! Er was een poort van slagroom met erboven op een beeldhouwwerk van rookworsten. En daar zag ik de portier Baconboy, zoon van Boteringen, zoon van Spekpaal met zijn soepele sandalen van ontbijtspek, kousen van stoofvlees om zijn schenen, zijn tuniek van gerookte ham met een gordel van zalmhuid om zijn middel en op zijn hoofd een hoed van zure zult. Onder zich zijn hengst van rollade met vier benen van vers stokbrood en hoeven van rogge, zijn oren van havermout en ogen van honing in zijn hoofd. In zijn hand had hij een zweep betsaande uit vierentwintig gekookte worsten en elke sappige druppel vet die van elk van die worsten druipte kon dienen als een maaltijd voor een gewone man.
Ik ging verder en zag de tovenaarsdokter. Hij had twee handschoenen van biefstuk aan zijn handen. En het huis was van het plafond tot de vloer behangen met koeienpens.
In de keuken trof ik de zoon van de dokter met een vishaak gemaakt van gestoomde langoustine in zijn hand en de lijn was gemaakt van merg. Hij viste in een meer van griesmeelpap. Nu eens hengelde hij een gerookte ham omhoog en dan een varkenshaas. Maar terwijl hij zo hengelde viel hij en verdronk.
Ik stapte over de drempel de kamer in en zag een bank van zachte roomboter waar ik op ging zitten maar ik zonk erin weg tot alleen mijn haar er nog bovenuit stak. Het harde werk van de acht sterkste mannen in het huis was nodig om mij er aan mijn haren weer uit te trekken. Toen werd ik naar de tovenaar gebracht.
'Wat scheelt eraan?' vroeg de tovenaarsdokter.
'Op mijn woord,' zei de dokter, 'wat een smartelijke ziekte! Maar je krijgt van mij een medicijn mee naar huis om je van je ziekte te genezen en je zal er nooit meer last van hebben en alles kunnen eten wat je maar wilt.'
'Wat is dat medicijn?' vroeg ik.
'Als je vanavond naar huis gaat, warm je dan aan een roodgloeiend haardvuur van eikenhout. De gloed mag je warmen maar niet branden en de rook van het vuur mag je niet aanraken. Maak voor jezelf drie keer negen hapjes klaar en elk hapje moet zo groot zijn als het ei van een fazant. En in elk hapje zitten acht soorten graan, tarwe en gerst, haver en rogge. En daarbij serveer je acht specerijen en voor elke specerij acht sauzen. En als je al het voedsel hebt bereid, neem dan een slokje whiskey, een heel klein slokje maar, niet meer dan wat een man of twintig weg zou kunnen krijgen. En als je dat gedaan hebt, zal de ziekte die je in zijn bezit heeft verdwijnen.'
'Ga nu' zei hij, 'in naam van de blauwe kaas en moge het drooggebakken spek je beschermen. En de stijfgeklopte slagroom moge je beschermen. En de runderstoofpot mag je beschermen.'
Nu, terwijl MacConglinney zijn visioen beschreef met al die heerlijkheden die voorbij kwamen drong de weldadige geur van de stukjes in honing gedrenkt vlees die roosterden aan het spit door tot diep in de neus van koning Cathal en het gewetensloze monster dat in hem huisde kon zich niet meer beheersen en het likte zijn lippen buiten de koning zijn hoofd.
MacConglinney greep de twee spitten met het roosterende vlees van het vuur en hield ze even tegen de lippen van de koning die ze het liefst had verslonden met vlees, hout en al. Hij hield ze op een armlengte afstand van de koning en het vraatzuchtige monster sprong uit de keel van koning Cathal op het spit. Het vuur werd een rode toren van vlammen. Het monster sprong uit het vuur op de hoogste balk van het plafond en vandaar verdween hij en werd nooit meer gezien.
En de koning? Voor hem werd een heerlijk bed klaargemaakt van dons en tot het ochtendgloren werd hij vermaakt door muzikanten en zangers.
Hij sliep tot de middag en toen hij wakker werd schonk hij de geleerde een koe van elke boerderij en een schaap van elk huis in Munster. En ook zou hij zo lang als hij leefde het vlees van de koning mogen snijden en naast hem zitten aan zijn rechterhand.
En zo werd Cathal de koning van Munster genezen van zijn vraatzucht en werd MacConglinney de geleerde geëerd.